26 november 2018

Zo zou je elke week moeten beginnen. Even het hoognodige doen, in mijn geval kinderen naar school brengen, dan met koffie het weekend terugkijken. Buitenhuis. Toen ik vroeger nog drie dagen werkte op de methadonpost Haarlem verlangde ik om 08.15 uur ’s morgens naar zo’n moment. Dan komt die kans, door maar twee dagen te gaan werken, en laat je hem toch meestal nog liggen. Herman Brood zei: dope sucks. Work sucks too. In a way.  Met mooie dingen, dat dan weer wel. Gisteravond stond ik in het Mozaïek theater Zuidlaren (ik zocht naar het water van Berend Botje, maar zag alleen meren. Kon hij er dan wel heen varen?). Een theater in een verzorgingstehuis, mooi idee. Er was ook een restaurant en een atelier. Ik was daar met Cor Bakker twee jaar geleden en mocht terugkomen met mijn soloprogramma Dubbel Leven. Je rijdt erheen door mooi Drenthe. Al was het bewolkt. De kleedkamer is fantastisch. Het is een soort verblijfskamer met steriele stoelen, een tafel, een uitzicht op laagbouwbeton, twee verzorgsters die buiten een sigaretje staan te roken in de kou, een keukenblad, een koelkast met ranja en verder niets erin. Er staat een rollator.  Een fles wijn voor de artiest. Ik laat hem dicht. Ik zie dat ik al mijn spullen kris kras door de kamer slinger. Gezellig vind ik dat, denk ik. Ik zoek een toilet, oh ja, dat invalidentoilet van vorig jaar. Die is voor mij. Als ik opga om 15.00 uur, wurm ik mij langs een bewoonster in een rolstoel. Ze is verdwaald. Een begeleidster praat haar de juiste richting in: “kom, die meneer moet optreden…” Het zaaltje zelf is donkerwarm, de verlichting doet zijn werk, technicus Nanine ook, de akoestiek is perfect, een hoge ruimte met veel steen. Het wekt- en helpt m’n stem, die brak begint, door een kortere nacht na Barneveld de avond ervoor. Hotelletje Hoogeveen en passant. Er zijn veel meer mensen dan die 30 kaarten die vorige week nog maar verkocht waren. Gelukkig. Anders zou ik zomaar opnieuw kunnen gaan twijfelen over mijn solo stap. In de pauze kijk ik Feyenoord-FC Groningen. 1-0.  Haal snel m’n voeten van tafel als de Mozaïek programmeur binnenloopt. De tweede set begint. Ik negeer luid gepraat achter in de zaal. De dame is opnieuw verdwaald. Ik verwonder me over de energie die toch weer opborrelt als ik op het podium sta. Moeten we bij vermoeidheid niet allemaal gewoon van de bank af? Vraag ik me af zonder mijn tekst te verliezen. Ik doe er een schepje bovenop met de gedachte: ja, ’t is voor hen ook maar zondagmiddag. We zullen die stilte eens even de nek om draaien, pak aan! Leef! Dubbel! Ik zing “De Wind.” Ik richt me op de rolstoeldame die voor de derde keer verdwaalde. En toen maar besloot de show te gaan bekijken. Ik ken haar niet, maar hou toch van haar. Ik denk: jij was vroeger ook een kind. Dank je voor alle zorgen die je in je leven gaf. Nu mag jij verzorgd worden.  Met “papa , ik ben lief op jou,” Ella haar uitspraak een paar jaar geleden, sluit ik af. Het geeft meer respons dan gewoonlijk. In de black out van het slot kan ik snel 2 tranen wegvegen (tussen mijn headset door best lastig), voordat het licht weer aangaat om applaus in ontvangst te nemen. Maar een enkeling zag het. Gevoel aan de oppervlakte. Waarom? Even kijken…Broer Paul (56) moest acuut gedotterd vorige week. Op tijd gelukkig. Klaar. Jaargenoot Warner heeft uitgezaaid kanker. Indrukwekkend. Mijn vader (90), zorgdier, moest deze week zijn vrouw met Parkinson pijnlijk laten indiceren voor een verpleegtehuis. Zo lang mogelijk uitstellen. Moe? Gemis? En oh ja, dat zal het zijn: m’n traanbuizen zitten verstopt. Een november dingetje. De foyer na afloop is een bad. Mooie ontmoetingen, mooie gesprekken. Ik kan 2 uur en 7 minuten terugrijden over de gitzwarte A28. Naar thuis.

Het leven is als fietsen. Als je niet doortrapt, raak je uit balans. (Einstein)